Vakantiedata schooljaar 2009-2010
De vakantiedata op deze pagina gelden voor alle basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen
voor het voortgezet onderwijs. De data van de zomervakanties zijn verplicht, voor de overige vakantiedata geldt dat
het Ministerie van OCW voor deze vakanties slechts adviesdata aangeeft, scholen mogen hier dus van afwijken.
Het ministerie adviseert u bij de school na te gaan op welke dagen deze gesloten is in verband met vakantie.
Data schoolvakanties
regio Noord
schooljaar 2009-2010
Soort
vakantie
Data
basisonderwijs & speciaal onderwijs
Data
voortgezet onderwijs
Herfstvakantie
17.10.2009 t/m
25.10.2009
17.10.2009 t/m
25.10.2009
Kerstvakantie
19.12.2009 t/m
03.01.2010
19.12.2009 t/m
03.01.2010
Voorjaarsvakantie **
20.02.2010 t/m
28.02.2010
20.02.2010 t/m
28.02.2010
Meivakantie
30.04.2010 t/m
09.05.2010
30.04.2010 t/m
09.05.2010
Zomervakantie
10.07.2010 t/m
22.08.2010
10.07.2010 t/m
29.08.2010
Data schoolvakanties
regio Midden
schooljaar 2009-2010
Soort
vakantie
Data
basisonderwijs & speciaal onderwijs
Data
voortgezet onderwijs
Herfstvakantie
17.10.2009 t/m
25.10.2009
17.10.2009 t/m
25.10.2009
Kerstvakantie
19.12.2009 t/m
03.01.2010
19.12.2009 t/m
03.01.2010
Voorjaarsvakantie **
20.02.2010 t/m
28.02.2010
20.02.2010 t/m
28.02.2010
Meivakantie
30.04.2010 t/m
09.05.2010
30.04.2010 t/m
09.05.2010
Zomervakantie
03.07.2010 t/m
15.08.2010
03.07.2010 t/m
22.08.2010
Data schoolvakanties
regio Zuid
schooljaar 2009-2010
Soort
vakantie
Data
basisonderwijs & speciaal onderwijs
Data
voortgezet onderwijs
Herfstvakantie
24.10.2009 t/m
01.11.2009
24.10.2009 t/m
01.11.2009
Kerstvakantie
19.12.2009 t/m
03.01.2010
19.12.2009 t/m
03.01.2010
Voorjaarsvakantie **
20.02.2010 t/m
28.02.2010
20.02.2010 t/m
28.02.2010
Meivakantie
30.04.2010 t/m
09.05.2010
30.04.2010 t/m
09.05.2010
Zomervakantie
24.07.2010 t/m
05.09.2010
17.07.2010 t/m
05.09.2010
Overzicht schoolvakanties schooljaar 2010/2011
bo = basisonderwijs (voor het speciaal basisonderwijs gelden dezelfde data)
vo = voortgezet onderwijs (voor het speciaal voortgezet onderwijs gelden dezelfde data)
Vakantie
Datum Regio Onderwijs
herfst 16-10-10 t/m 24-10-10 midden/zuid
bo/vo herfst 23-10-10 t/m 31-10-10
noord bo/vo kerst 18-12-10 t/m
02-01-11 noord/midden/zuid bo/vo
voorjaar 19-02-11 t/m 27-02-11 noord/midden/zuid
bo/vo mei 30-04-11 t/m 08-05-11
noord/midden/zuid bo/vo zomer
23-07-11 t/m 04-09-11 noord bo zomer
16-07-11 t/m 04-09-11 noord vo
zomer 02-07-11 t/m 14-08-11 midden bo
zomer 02-07-11 t/m 21-08-11 midden vo
zomer 09-07-11 t/m 21-08-11 zuid bo
zomer 09-07-11 t/m 28-08-11 zuid vo
Meer info op: schoolvakanties-nederland
ICE nummers opslaan in uw GSM toestel
(c) 2010 Hein Pragt
Het is een goed idee (zeker als u op vakantie gaat) om ICE nummer op te slaan in uw telefoon. ICE is een afkorting voor
In Case of Emergency en het is een internationaal begrip dat bekend is bij alle hulpdiensten ter wereld. Het geeft aan welk
telefoonnummer gebeld moet worden wanneer u een ongeluk gehad heeft,wanneer u de afkorting (ICE) voor een contactpersoon
in je mobiele telefoon plaatst, kunnen hulpdiensten over de hele wereld in één oogopslag zien welk nummer zij moeten bellen
wanneer u iets overkomen is. Daarmee kunt uvoorkomen dat hulpverleners kostbare tijd verliezen met uw identificatie en met
het zoeken naar contact personen wanneer u gewond bent en niet meer in staat bent te communiceren.
Ook kunnen hulpverleners
op deze wijze snel medische informatie inwinnen. Wanneer u wilt dat er met meerdere personen contact wordt opgenomen, kunt
u meerdere ICE nummers in het toestel opslaan. Daarvoor kunnen codes als ICE1, ICE2, ICE3 gebruikt worden en er een
omschrijving bij te zetten zoals: ICE 1 partner, ICE 2 kind, ICE 3 ouders enz.De hulpverlener zal beginnen bij ICE 1 en
bij geen gehoor overgaan naar ICE 2. Het initiatief is in Groot-Brittannië begonnen en heeft zich naar verschillende landen
verspreid, waaronder Nederland. Er is nog geen officiële overheidscampagne actief in Nederland, maarorganisaties als het
Rode Kruis en het Korps Landelijke Politiediensten roepen op om deze nummer in de telefoon te plaatsen.
Dubbel belaste vrouwen niet vaker een burn-out
mei 2006 Bron: CBS
Vrouwen die een baan, huishoudelijk werk en de zorg voor kinderen combineren, hebben niet vaker een burn-out dan
andere werkende vrouwen. Wel hebben alleenstaande vrouwen en vrouwen die meer dan twintig uur per week werken vaker
dergelijke klachten.
Dat blijkt uit cijfers van het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek), in de periode van 1997 tot 2004 had
ongeveer 1 op de 10 werkende vrouwen burn-outklachten. Vooral alleenstaande vrouwen zijn er gevoelig voor. Onder
hen is het percentage het hoogst, namelijk 16 procent.
Huishoudelijk werk
Het aantal uur dat aan huishoudelijk werk wordt besteed, is niet van invloed op het krijgen van klachten.
Werkende vrouwen die relatief veel tijd aan huishoudelijke klussen kwijt zijn, hebben even vaak klachten
als vrouwen die daar niet zo veel tijd aan besteden. Wel speelt de werkduur een rol, vrouwen die tussen
de 12 en 19 uur werken, hebben er het minste last van (5 procent). Loopt het aantal uren op naar twintig of
meer, dan is het risico twee maal zo groot. Onder vrouwen met een voltijdsbaan heeft 12 procent last van
burn-outklachten, zoals oververmoeidheid.
Kinderen
Ook het hebben van kinderen is niet van invloed, vrouwen in meerpersoonshuishoudens met of zonder
minderjarige kinderen lopen evenveel risico.
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (wgbmv)
Wet van 1 maart 1980, houdende aanpassing van de Nederlandse
wetgeving aan de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen
van 9 februari 1976 inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen)
Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje- Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de
Nederlandse wetgeving aan te passen met het oog op de richtlijn van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 februari 1976 inzake de
gelijke behandeling van mannen en vrouwen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij
goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
In deze wet wordt onder onderscheid tussen mannen en vrouwen
verstaan direct en indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen. Onder
direct onderscheid wordt mede verstaan, onderscheid op grond van
zwangerschap, bevalling en moederschap. Onder indirect onderscheid
wordt verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan het
geslacht, bijvoorbeeld echtelijke staat of gezinsomstandigheden, dat
onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft.
Artikel 1a
1. Het in deze wet neergelegde verbod van direct onderscheid houdt mede
in een verbod op intimidatie en een verbod op seksuele intimidatie.
2. Onder intimidatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:
gedrag dat met het geslacht van een persoon verband houdt en dat tot
doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast
en dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of
kwetsende omgeving wordt gecreëerd.
3. Onder seksuele intimidatie als bedoeld in het eerste lid wordt
verstaan: enige vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een
seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van
de persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende,
vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende situatie wordt
gecreëerd.
4. Het is niet toegelaten een persoon te benadelen wegens de
omstandigheid dat deze het in het tweede en derde lid bedoelde gedrag
afwijst of lijdzaam ondergaat.
5. De artikelen 3, tweede lid, 4, tweede lid, en 5, eerste en tweede
lid, zijn niet van toepassing op het verbod van intimidatie en seksuele
intimidatie, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 1b
1.In de openbare dienst mag het bevoegd gezag geen onderscheid maken
bij de aanstelling tot ambtenaar of indienstneming op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, in de arbeidsvoorwaarden,
bij de arbeidsomstandigheden, bij het verstrekken van onderricht, bij
de bevordering en bij de beëindiging van het dienstverband.
2.Tot de openbare dienst, bedoeld in het eerste lid, worden gerekend
alle instellingen, diensten en bedrijven door de staat en de openbare
lichamen beheerd.
3.Van het in het eerste lid bepaalde mag worden afgeweken in de
gevallen waarin het de bescherming van de vrouw betreft, met name in
verband met zwangerschap en moederschap.
4.Het bevoegd gezag mag het dienstverband van degene die krachtens
aanstelling of arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is in
de openbare dienst niet beëindigen of betrokkene niet anderszins
benadelen wegens de omstandigheid dat deze in of buiten rechte een
beroep heeft gedaan op het in het eerste lid bepaalde of terzake
bijstand heeft verleend.
5.De beëindiging van de arbeidsovereenkomst van degene die op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is in openbare
dienst door het bevoegd gezag in strijd met deze wet, is vernietigbaar.
Artikel 647 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is van
overeenkomstige toepassing.
6.Elk beding dat strijdig is met het in het eerste lid bepaalde is nietig.
Artikel 1c
Ingeval een natuurlijke persoon, rechtspersoon of bevoegd gezag een
ander onder zijn gezag arbeid laat verrichten, anders dan krachtens
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of ambtelijke aanstelling,
zijn de artikelen 646 en 647 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 2
1. Het is niet toegelaten onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen
met betrekking tot de voorwaarden voor de toegang tot en de
mogelijkheden tot uitoefening van en ontplooiing binnen het vrije
beroep, alsmede wat betreft regelingen tussen beroepsgenoten inzake
sociale zekerheid niet zijnde pensioenvoorzieningen als bedoeld in
artikel 12a.
2. Indien een regeling als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft
op ziekte of arbeidsongeschiktheid mag daarin geen uitzondering worden
gemaakt voor zwangerschap en bevalling, onverminderd de bevoegdheid
bepalingen op te nemen ter voorkoming en oneigenlijk gebruik.
3. Elke bepaling van een regeling als bedoeld in het eerste lid, die in
strijd is met het in het eerste of tweede lid bepaalde is nietig.
Artikel 3
1. Het is niet toegelaten bij de aanbieding van een betrekking of bij
de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen of bij arbeidsbemiddeling.
2. Van het in het eerste lid bepaalde mag worden afgeweken in die
gevallen waarin ingevolge deze of enige andere wet bij het aanbieden
van een betrekking onderscheid tussen mannen en vrouwen mag worden
gemaakt en, in geval het gaat om het openlijk aanbieden van een
betrekking, de grond voor dat onderscheid daarbij uitdrukkelijk wordt
vermeld.
3. Het aanbieden van een betrekking, bedoeld in het eerste lid
geschiedt wat betreft tekst en vormgeving zodanig, dat duidelijk
blijkt, dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.
4. Indien voor de aangeboden betrekking een functiebenaming wordt
gebruikt, wordt of zowel de mannelijke als de vrouwelijke vorm
gebruikt, of uitdrukkelijk vermeld, dat zowel vrouwen als mannen in
aanmerking komen.
5. Wanneer iemand ter zake van een aanbieding in strijd met het in deze
wet bepaalde uit onrechtmatige daad jegens een ander aansprakelijk is,
kan de rechter hem op vordering van die ander ook veroordelen tot
openbaarmaking van een rectificatie op een door de rechter aan te geven
wijze.
Artikel 4
1. De natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een beroepsopleiding,
voortgezette beroepsopleiding of cursus voor bijscholing of omscholing
onder welke benaming dan ook in stand houdt, dan wel de natuurlijke
persoon of rechtspersoon die een examen verband houdend met de hiervoor
bedoelde opleidingen of cursussen afneemt, mag bij de toelating tot en
de behandeling binnen de opleiding, dan wel bij het afnemen van het
examen, geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen noch ten
aanzien van de criteria noch ten aanzien van de niveaus.
2. Van het in het eerste lid van dit artikel bepaalde mag, behoudens
voor wat betreft het afnemen van het examen en mits voor leerlingen van
beide geslachten gelijkwaardige voorzieningen aanwezig zijn, worden
afgeweken indien de eigen aard van een instelling voor bijzonder
onderwijs zich tegen het in dat lid bepaalde verzet.
3. Iedere bepaling die strijdig is met het in het eerste lid bepaalde, is nietig.
Artikel 4a
1.Het is niet toegelaten onderscheid te maken bij het lidmaatschap van
of de betrokkenheid bij een werknemers- of werkgeversorganisatie of een
vereniging van beroepsgenoten, alsmede bij de voordelen die uit dat
lidmaatschap of uit die betrokkenheid voortvloeien.
2.Iedere bepaling die in strijd is met het eerste lid is nietig.
Artikel 5
1.
Van het in de artikelen 1a, 2, 3 en 4, 12b en 12c bepaalde mag worden
afgeweken indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een
bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op
te heffen of te verminderen en het onderscheid in een redelijke
verhouding staat tot het beoogde doel.
2. Voor zover het betreft de toegang tot beroepsactiviteiten of de
hiervoor noodzakelijke opleidingen mag van de artikelen 1b, 2, 3 en 4
worden afgeweken indien het gemaakte onderscheid is gebaseerd op een
kenmerk dat verband houdt met het geslacht en dat kenmerk wegens de
aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten of de context
waarin deze worden uitgevoerd, een wezenlijk en bepalend
beroepsvereiste is, mits het doel legitiem is en het vereiste evenredig
aan dat doel is.
3.Als beroepsactiviteiten en hiervoor noodzakelijke opleidingen
waarvoor vanwege hun aard of de voorwaarden voor de uitoefening ervan
het geslacht bepalend kan zijn, worden slechts beschouwd die welke
behoren tot respectievelijk opleiden voor geestelijke ambten dan wel
beroepsactiviteiten die bij algemene maatregel van bestuur zijn
aangewezen.
Artikel 6
Het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid geldt niet ten
aanzien van indirect onderscheid, indien dat onderscheid objectief
gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het
bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
Artikel 6a
Indien degene die meent dat te zijnen nadeel een onderscheid is of
wordt gemaakt als bedoeld in deze wet, in rechte feiten aanvoert die
dat onderscheid kunnen doen vermoeden, dient de wederpartij te bewijzen
dat niet in strijd met deze wet is gehandeld.
Artikel 7
1. Bij de toepassing van artikel 646 van boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek wordt voor de vergelijking van de in dat artikel bedoelde
arbeidsvoorwaarden met betrekking tot het loon uitgegaan van het loon
dat in de onderneming waar de werknemer in wiens belang de
loonvergelijking wordt gemaakt werkzaam is, door een werknemer voor de
andere kunnen voor arbeid van gelijke waarde dan wel, bij gebreke
daarvan, voor arbeid van nagenoeg gelijke waarde pleegt te worden
ontvangen.
2. Onder loon als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de
vergoeding door de werkgever aan de werknemer verschuldigd ter zake van
diens arbeid.
Artikel 8
Voor de toepassing van artikel 7 wordt arbeid gewaardeerd volgens een
deugdelijk stelsel van functiewaardering, waarbij zoveel mogelijk wordt
aangesloten bij het stelsel dat gebruikelijk is in de onderneming
waarin de belanghebbende werknemer werkzaam is. Bij gebreke van een
zodanig stelsel wordt de arbeid, gelet op de beschikbare gegevens naar
billijkheid gewaardeerd.
Artikel 9
1. Voor de toepassing van artikel 7 wordt het loon van de
belanghebbende werknemer geacht gelijk te zijn aan het loon dat een
werknemer van de andere kunnen voor arbeid van gelijke waarde pleegt te
ontvangen, indien het is berekend op grondslag van gelijkwaardige
maatstaven.
2. Voor de toepassing van artikel 7 worden andere dan geldelijke
loonbestanddelen in aanmerking genomen naar de waarde, welke daaraan in
het economisch verkeer worden toegekend.
3. In geval van arbeidsduur is overeengekomen, welke korter is dan die
welke in overeenkomstige arbeidsverhoudingen in de regel geacht wordt
een volledige dienstbetrekking te vormen, wordt het loon dat naar
tijdsduur wordt berekend, naar evenredigheid verminderd.
Artikel 10
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld omtrent het in de artikelen 7, 8 en 9 bepaalde.
Artikel 11
Vervallen (verjaringstermijn daardoor van 2 naar 5 jaar).
Artikel 12
Bij de toepassing van de artikelen 1a en 1b van deze wet is deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.
Artikel 12a
Voor de toepassing van het in deze paragraaf bepaalde wordt verstaan
onder pensioenvoorziening: een pensioenvoorziening ten behoeve van een
of meer personen, uitsluitend in verband met hun werkzaamheden in een
onderneming, bedrijfstak, tak van beroep of openbare dienst, in
aanvulling op een wettelijk stelsel van sociale zekerheid en, ingeval
van een voorziening ten behoeve van een persoon, anders dan door die
persoon zelf tot stand gebracht.
Artikel 12b
1. Het is ook aan anderen dan de werkgever bedoeld in artikel 646 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of het bevoegd gezag bedoeld in
artikel 1a niet toegestaan onderscheid te maken tussen mannen en
vrouwen wat betreft de bepaling van de kring van personen voor wie een
pensioenvoorziening tot stand wordt gebracht, wat betreft de bepaling
van de inhoud van een pensioenvoorziening of wat betreft de wijze van
uitvoering daarvan.
2. Bepalingen krachtens welke de verwerving van pensioenaanspraken
wordt onderbroken gedurende de periode van zwangerschap- en
bevallingsverlof op grond van een wettelijke bepaling of overeenkomst
worden voor de toepassing van artikel 646 van Boek 7 van het
Burgelijkwetboek, artikel 1a en het eerste lid beschouwd als strijdig
met het verbod van ongelijke behandeling van mannen en vrouwen.
Artikel 12c
1. Indien het pensioen niet wordt berekend op grond van de geldelijke
bijdrage van de werkgever ten behoeve van de aan diens onderneming
verbonden persoon dan wel van de tot de betrokken tak van beroep
behorende persoon, blijft de omvang van de geldelijke bijdrage van de
werkgever voor de toepassing van artikel 646 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 1a en 12b buiten beschouwing,
voor zover dat gerechtvaardigd is in verband met voor mannen en vrouwen
verschillende actuariële berekeningselementen.
2. Indien het pensioen wordt berekend of mede wordt berekend op grond
van de geldelijke bijdrage van de werkgever ten behoeve van de aan
diens onderneming verbonden persoon blijft de omvang van de geldelijke
bijdrage van de werkgever voor de toepassing van artikel 646 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 1a en 12b buiten
beschouwing en wordt:
a. of de omvang van dat pensioen voor mannen en vrouwen gelijk getrokken;
b. of die geldelijke bijdrage zodanig vastgesteld dat naar het inzicht
op het tijdstip van vaststelling, de omvang van de pensioenen voor
mannen en vrouwen gelijk wordt getrokken.
3. Indien het pensioen niet wordt berekend op grond van de geldelijke
bijdrage van de tot de betrokken tak van beroep behorende persoon
blijft de omvang van de geldelijke bijdrage voor de toepassing van
artikel 12b buiten beschouwing voor zover dat gerechtvaardigd is in
verband met voor mannen en vrouwen verschillende actuariële
berekeningselementen.
4. Indien het pensioen wordt berekend of mede wordt berekend op grond
van de geldelijke bijdrage van de tot de betrokken beroepsgroep
behorende persoon wordt de omvang van dat pensioen voor mannen en
vrouwen gelijk getrokken.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het tweede en vijfde lid.
Artikel 12d
In afwijking van artikel 12b zijn toegestaan bepalingen die betrekking
hebben op bescherming van de vrouw met name in verband met zwangerschap
en moederschap.
Artikel 12e
Iedere bepaling die strijdig is met het verbod van ongelijke behandeling van mannen en vrouwen bedoeld in artikel 12b is nietig.
Artikel 12f
Het bepaalde in artikel 647 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is
van overeenkomstige toepassing bij beeindiging van de dienstbetrekking
door de werkgever wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten
rechte een beroep heeft gedaan op het bepaalde in artikel 12b.
Artikelen 13 t/m 20 zijn vervallen of niet opgenomen.
Artikel 21
1.Met het toezicht op de naleving van artikel 646 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek en van het bepaalde bij of krachtens deze wet, zijn
belast de bij besluit van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren. Onze Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid kan ten behoeve van dit toezicht een onderzoek doen
instellen door die ambtenaren. Voorzover het de openbare dienst betreft
kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid verzoeken een onderzoek als bedoeld in de
tweede volzin te doen instellen. Van een besluit als bedoeld in de
eerste volzin wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
2.. Indien uit een onderzoek blijkt dat een onderscheid is of wordt
gemaakt als bedoeld in artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk
Wetboek of in deze wet doet Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid hiervan mededeling aan de natuurlijke persoon,
rechtspersoon of het bevoegde gezag dat het onderscheid heeft gemaakt
of maakt, en, indien het een onderscheid als bedoeld in artikel 646 van
Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 1b of artikel 1c van deze
wet betreft, aan de betrokken ondernemingsraad of het daarmee
vergelijkbare medezeggenschapsorgaan, alsmede aan de daarvoor in
aanmerking komende organisaties van werkgevers, van werknemers, uit het
beroepsleven of van overheidspersoneel.
De mededeling aan de betrokken ondernemingsraad of het daarmee
vergelijkbare medezeggenschapsorgaan, alsmede aan de daarvoor in
aanmerking komende organisaties van werkgevers, van werknemers, uit het
beroepsleven of van overheidspersoneel bevat geen gegevens waaruit de
identiteit van de in het onderzoek betrokken personen ten nadele van
wie het onderscheid is of wordt gemaakt kan worden afgeleid.
Artikel 22
Vervallen
Artikel 23
De voordracht tot wijziging van een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel c, en de voordracht voor een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 10 wordt niet
gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en
aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag
waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis
van Onze minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt
het ontwerp aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd.
Artikel 24
1. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
2. Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum
van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst,
en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en
ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven te Lech, 1 maart 1980
Juliana
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
De Minister van Sociale Zaken,
Albeda
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen,
A. Pals
De Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk,
J. G. Kraaijeveld-Wouters
De Minister van Binnenlandse Zaken,
H. Wiegel
Uitgegeven de dertiende maart 1980
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
Last update: 12-07-2010